Liefde…
februari 22, 2008, 8:03 pm
Ingedeeld onder: Rijmsels

Is ‘t niet hemeltergend,
dat wat zich liefde noemt
Dat ‘t zomaar zonder vragen,
uw hart tot smachten doemt
En dat ‘t immer ongelegen,
uw hoofd met rijmsels vult
Ook dat het zonder schamen,
u in de borstkas brult
Het vuur in u doet laaien,
tot ‘t ijs aan ‘t smelten gaat
En bitter als een weduwe,
u onverzadigd laat

 (door Likmevestje)



Wolkendek
februari 19, 2008, 9:17 pm
Ingedeeld onder: Dromen, Mijmeringen

Geflankeerd met kaarsen, lag het vel papier, roerloos en onbeschreven op het nachtkastje. Erboven beet de schrijver verrukt op het puntje van zijn tong. Het vuur in zijn ogen bleek niet enkel een reflectie van kaarslicht te zijn, want voor je het doorhad, nam hij een pen en richtte deze op het papier, als was het een toverstaf.

Alles werd donker, donkerder, … gitzwart. Met grote kunstige halen, toverde hij sterren. Zo schitterend, dat ze de ogen zouden doen fonkelen van ieder die ernaar keek. Toen kwam er mist, als voorbode van dikke wolken, zo dicht gezaaid dat het geheel als een paars omfloerst dekbed, de hemel betrok. Als laatste beschreef hij een maan, deze kwam als een ondergaande zon met haar bovenste helft doorheen het wolkendek. Zo groot en dichtbij was ze, dat je met het blote oog haar kraters kon tellen.

Tevreden naar zijn tafereel starend, tikte hij met zijn pen op een klein wolkje, waarna hij de erom hangende nevels al roerend rond zijn pen begon te wikkelen, tot het zich daaronder verschuilende zich aan ons toonde. Het waren twee mensjes, die wel piepklein leken zo hoog in het onmetelijke. Alsof ze nooit wat anders dan de pas verwijderde nevel hadden gezien, begonnen ze verwonderd om zich heen te kijken.

Opspringend en naar de maan wijzend riep het meisje “O, kijk, de maan!” en haar armen wijd spreidend “zo groot heb ik haar nooit eerder gezien!”. De jongen kwam achter haar staan, vouwde zijn armen om haar heen en legde zijn kin op haar schouder. “Vestje het is wondermooi!” zei ze. “Had ik het je niet beloofd?” zei hij, terwijl ze zich naar hem omdraaide. Zijn ogen ontmoette de hare en ze bleven neus tegen neus staan. Zo dicht bij was ze nu, dat hij haar zoete adem bijna kon proeven. “Nu?” vroegen haar lippen geluidloos. “Nee, nog niet.” zei hij, waarna hij zijn hoofd even op haar schouder liet rusten om dan met zijn lippen een weg naar haar oor te zoeken. “Kijk boven je.” fluisterde hij. Ze legde haar hoofd in haar hals en liet hem los, waarna ze achteruit begon te wandelen, nog steeds naar boven kijkend.

De duizend sterren die aan de hemel stonden begonnen te vallen, een voor een. Eerst langzaam op elkaar volgend, daarna sneller. Sommige constellaties knalden uiteen, waardoor de sterren elk een andere baan beschreven, anderen lieten zich als door de wind uit de hemel vagen. Maar allen vielen ze en terwijl ze vielen, trokken ze lange zilveren strepen doorheen de gitzwarte nacht.

Overal om hen heen dwarrelde een regen van sterrenstof, waarvan elk deeltje de maan reflecteerde. Haar ogen gingen glimmen, en met een gelukzalige glimlach op haar lippen vroeg ze “Nu dan?”. “Ja, nu.” zei hij glimlachend, haar dicht tegen zich aan trekkend. Ondanks haar tranen vond ze zijn lippen, en alzo besloten ze hun liefde. Fel omkranst door een regen van sterren, elkaar omhelsend op een dek van wolken en in een wereld ontsprongen aan de punt van een pen.

En alzo, besloot de schrijver het vel papier. Hij legde zijn pen op zijn nachtkastje, blies de kaarsen uit en kroop weer onder de dons. Vast besloten ook zijn volgende droom met ons te delen.



Des morgens
februari 11, 2008, 4:35 pm
Ingedeeld onder: Beroepsavonturier, Met veel knipoog, Mijmeringen

Het volgende speelt zich af in een klein prefab kantoortje, nog voor dag en dauw. Zo onbeweeglijk zat ik daar dat ik voor het ongeoefende oog, als onzichtbaar, opging in het om mij liggende. Zwaar achteruit geleund in mijn stoel, handen gevouwen op de buik en benen gestrekt onder een gammel bureautje, zat ik in het raam naar mijn reflectie te staren. Naast mij vond een bekertje koffie verkoeling aan de nog koele buitenlucht, die zich via een op een kier staande raam een weg naar binnen vond. Zo lang keek ik naar mijzelf, tot ik de neiging kreeg mijn blik af te wenden. “Wie ben jij?” vroegen de lippen mij geluidloos. “Wie ben jij, dat je zolang naar mij staren kan… terwijl de rest van de wereld amper de tijd neemt om zijn veters te strikken”. Ik keek naar de reflectie en begon toen te grijnzen, hij grijnsde naar mij en samen weerlegde we ons blikveld. Onze ogen vonden  de koffie. Het Arabische vocht wierp dikke pluimen damp ten tonele waarin we sprookjes uit 1001 nacht herkende. Nu eens vormde zijn dampen Ali Baba, dan weer een tafereel uit Sinbad, …
Erdoor gefascineerd bleven we staren tot het eerste ochtendlicht ons de reflectie ontnam. In strijdlust met een ochtendhumeur goot ik alle 1001 sprookjes over mijn lippen, begon  mij ostentatief uit te rekken en floot zacht “de morgen” van Edvrard Grieg. Buiten spreidde de ochtendstond haar rozerode vingers aan de kim. Mij door mijn stoppelbaard wrijvend kwam ik met lichte tegenzin overeind, wierp het verfrommelde koffiebekertje in een emmer en verliet het kantoortje.

Aldaar werd ik verwelkomt door een nog prille maandagochtend. Haar kille ochtendlucht tegen mijn longen jagend stond ik te trillen van sensatie. Het eerder vernoemde ochtendhumeur blies, in contact met de zon, luid krijsend de aftocht. Om zich in torment te gaan wentelen in het donkerste hoekje van mijn vergetelheid.
Boven mij beamde de zon een goudgeel licht tegen de omliggende gevels. Mij in de stad El Dorado wanend, draaide ik met armen gespreid om mijn as. Mijn lippen op elkaar persend om niet als een muzikale non in zang uit te barsten, aanschouwde ik in helse kleuren, dat wat vanmorgen nog in zwart wit was. “Reflectie, ik denk niet dat we nog in Kansas zijn” sprak ik tot mezelf in een plas.

Sloom slenterend volgde ik een goudgele weg tot aan een zwaar stalen deur, waarachter zich de werkvloer van een (hier niet verder vermeld) cosmetica bedrijf bevind.  

Vanuit de half-gewassen gezichten staarde de rijk met prut bedeelde ogen mij aan, toen ik mij een weg baande doorheen een meute maandagochtend zombies. Mijn luid The hills are alive” (with the sound of music) geneurie stond in schril contrast met de om mij heersende sfeer en lokte zelfs hier en daar een boos blik van een mij voorbij stormende werker. Luider nog werd mijn geneurie toen ik voorbij “het meisje in de doos” kwam, want zij straalde, zoals altijd.

Bij de koffiemachine vond ik een man die bijna bestiaal wild om zich heen loerde, als een  gek op de toetsen ramde en met zijn vrije hand op zijn been tokkelde. “Komaan” hoorde ik hem grommen doorheen zijn opeen geklemde tanden. “Wist je” begon ik een gesprek “dat er in 1 kopje koffie, wel zo’n 1001 sprookjes huizen?”. Hij sperde zijn ogen zo wijd open en begon zo heftig door zijn neus te ademen, dat ik bang was dat hij het uit zijn ogen druipende prut langs zijn neus naar binnen zou snuiven.

Hij beende weg, nog sneller dan een haas in het bos.
In zijn haast, welhaast over zijn haastig gestrikte veters struikelend, hoorde ik hem haastig vloeken.
Onthaast u!” riep ik hem na .

Tevergeefs, hij koos reeds het hazenpad.

Alzo vergleed des morgens in des middags.



De kraanman
februari 5, 2008, 5:43 pm
Ingedeeld onder: Beroepsavonturier, Met veel knipoog

De gekgeworde kraanman, trapte plankgas. Het ijzeren monster op rupsbanden, dat eerst zo doods leek, kwam nu krijsend tot leven. Verschrikt liet ik de bom vallen, die ik aan het ontmantelen was en zocht de ogen van de bestuurder. Weg, ze waren weg, verscholen achter de aangedampte glazen van zijn bril, zijn neusvleugels wijd opengesperd en zijn tanden ontbloot, kwam hij hoonlachend op mij afgestormd. Ostentatief zuchtend, veegde ik mijn handen af aan mijn, van fluorescerende strepen voorziene, maatpak, dronk een slok single malt uit een blikken veldflesje, knipoogde naar de dichtst bijzijnde vrouwelijke collega, wierp een blik op mijn horloge, stelde treurig vast dat ik de pauze zou gaan missen, en sloeg toen op de vlucht. De kraanman liet zijn klauw open en dichtklappen, als een stalen T-rex. Een onschuldig voorbijwandelende dielf het onderspit toen de klauw hem van het wegdek plukte en van zich afwierp, als was hij een stuk speelgoed. Toen de kraan langzaam terrein won, sprong ik op een voorbijrijdende heftruck, opende het portiek, kegelde de inzittende op het afvalt en wees met mijn stalen vorken richting vrijheid. Na te hebben geslalomd doorheen een parcour van toevallige hindernissen, waar de kraan vlot door en overheen reed, barstte hij uiteindelijk doorheen de muur, waarachter ik mij verscholen had, om dan luid krijsend, als wanneer staal buigt, om te kantelen en op zijn zij te vallen. De klauw ging nog eenmaal open en dicht en bleef toen dicht. Het monster was dood, het gevaar was geweken. De kraanman klauterde uit de cabine, bedolven onder het stof en beloofde om het vakantiehuisje dat hij pardoes bovenop een indiaanse begraafplaats had gebouwd, die zelfde avond nog met de grond gelijk te maken, nooit meer krankzinnig te worden en mij te trakteren op een martini “shaken not stirred” in de kantine. Luid juichend kwamen de collega’s, die zich hadden verstopt, uit hun schuilplaatsen, de mannen sloegen zich luid op de borst en zwoeren dat ze ooit zo kloek als mij zouden worden, de vrouwen wierpen kushandjes en en lonkten naar mij met tedere blikken.

Het was toen, meneer de grote baas, dat ik, in mijn overmoed, de heftruck nam, drie maal in het rond draaide en de rij met mannelijke collega’s afreed om vanuit het portiek “high fives” uit te delen. En het was kort daarop, meneer de grote baas, dat ik blind van vreugde, over de voet van Erwin reed, waardoor hij naar het ziekenhuis moest.

Tegenover mij had de man die ik “meneer de grote baas” noemde, zijn lip opgetrokken als een haas, en onder zijn oog was een zenuw vervaarlijk aan het trekken. Het was pas toen er schuim op zijn lippen kwam dat ik de ernst er van in zag. Daarna werd ook hij naar het ziekenhuis gevoerd. Volgens de dokter was hij zodanig innerlijk in razernij ontstoken, dat hij er een longontsteking door had opgelopen.

Later die dag toen ik mij afmelde en al strompelend, van de mij getrakteerde martini’s, naar mijn kastje ging, om mijn rugzak en autosleutels, vond ik daar op het deurtje een hele resem post-its met daarop de telefoonnummers van veelbelovende dames. Glimlachend gooide ik mijn autosleutels in de lucht en ving ze vaardig weer op. Wat was het schitterend om een beroepsavonturier te zijn!

(Dit schrijven werd opgedragen aan Geert, mijn baas, die in het ziekenhuis ligt
met een longontsteking en aan Erwin, de collega die een week inmobiel was omwille
van mijn heftruck kunsten. Beste Erwin, mogen u voeten nooit meer mijn wielen vinden!)



Het meisje met de piano
januari 31, 2008, 11:51 pm
Ingedeeld onder: Mijmeringen

 In de schemerende ruimte leek het wel alsof de witte toetsen licht straalde. Een enkel spotje richtte zijn lichtbundel op haar loshangende haren, die over haar schouders golfden tot aan haar handen. Haar handen… geen blik kon zich ervan wenden, luchtig als dagdromen gleden ze over het klavier. De door haar gedirigeerde hamertjes sloegen de snaren, op zulk een manier dat we van de hele stoel die ons werd aangeboden, enkel het puntje gebruikte.
Achteraan in de zaak deed een lichtend kaarsstompje vagelijk mijn aanwezigheid vermoeden. De door haar gespeelde tonen weerklonken op de muren waartegen mijn muurbankje leunde. Zonder mijn blik van haar te wenden, ontvlamde ik een cederhoutje en deed mijn cohiba gloeien. Blauwe slierten rook kringelden tot aan het plafond. De rook streelde zachtjes mijn tong en toen ik hem uitblies, wierp hij een waas over het tafereel, die de omliggende muren deed verdwijnen. Vanuit het halfdonker zat ik naar haar te kijken, mijn ogen waren droog, maar ik durfde ze niet sluiten, uit schrik dat het het plaatje zou beroeren. Zachtjes bracht ik de bruine cilinder naar mijn lippen. Naarmate ik hem tot as herleide, verdwenen ook de andere gasten, de tafeltjes, de drankjes, de stoelen…. Tot er alleen nog zij was. De roker herleid alles tot vuur en as, bedacht ik, de sigaar is het enige dat echt is, vuur en as, al het andere zijn slechts dromen. Toen bij mijn volgende trek het meisje met de piano verdween glimlachte ik en al glimlachend, verdween ik ook.
In het aardedonker was er enkel nog de stervende cohiba, met zijn gloeiende askegel, en de warme tonen van haar pianospel. De cohiba gloeide kort daarop voor het laatst, maar haar warme tonen bleven bij ons, tot het einde van de nacht.



Verhelderende nachten
januari 21, 2008, 11:41 pm
Ingedeeld onder: Mijmeringen, Rijmsels, rooskleurig bloggen

rozebril 

Dit sluit aan bij Menck’s rooskleurige blogweek…in zoverre dat donkere bossen en verhelderende nachten rooskleurig kunnen zijn. Het is echter niet slapstick-rooskleurig dan wel rooskleurig als wanneer een mens zich herboren voelt na een dromerige rit doorheen een door de natuur gegeseld bos. Ik nodig de lezer uit zich te laten vergasten op een tocht doorheen mijn op het eerste zicht surrealistische wereldje…

Ken je de zeldzame momenten waarop je jezelf afvraagt waar de grens ligt tussen werkelijkheid en verbeelding? Sommige momenten lijken zo perfect dat ze volledig met je gemoed verglijden. Ze doen je tintelen van aan het puntje van je kruin tot in de toppen van je tenen, alsof bloed zich opnieuw een weg baant in organen sinds lang vergeten. Opnieuw tot leven gewekt voel je je uitgenodigd tot deelname aan het oneindige, en alles wat onweerlegbaar leek lijkt nu slechts een product van je kleingeestigheid…

“Verandering is de enige constante.” Gonst het door mijn hoofd alsof het werd ingefluisterd door het tokkelen van de regen op mijn voorruit. Vanuit de boxen in de hoedenplank verzorgt een contrabas het ritme van een jazz bandje dat zijn geroezemoes de onmetelijke nacht in stuurt. Onder ons glijdt een kronkelende bosweg omkranst door hoge boomstammen waarvan de kruinen zich in het alles omfloersende duister verbergen. Op de nietig lijkende koplampen, het vrolijk flikkerende lichtje van de radio en de sporadisch geplaatste lantaarnpalen na verraadt alleen de met regelmaat verhelderende bliksem het stipje dat ik ben op dit door god en mens verlaten stukje van de wereld.
“Verandering is de enige constante.” De magische woorden die alles weerleggen, weerklinken ditmaal in een overdonderend gerommel. De donder lijkt zo gevaarlijk dichtbij dat het de bodemplaat van de auto doet trillen. Op de achtergrond blaast een nietsvermoedende saxofonist een schelle solo in aanvulling op het van buiten komende tromgeroffel. “Verandering is de enige constante.” Giert nu ook de wind langs mijn ramen. Het was toen dat ik vergleed in het eindeloze, deel uitmakend van natuur en heelal. Alsof ik was ingewijd tot de geheimen van het alles, kletterde een salvo van regen zich op mijn koetswerk, wat het jazz bandje deed vervagen en de door de voorruit toestormende beelden vervormde tot dromerige kleurschakeringen. Als alles veranderlijk is, dacht ik terwijl ik met mijn koplampen de buitenste hoek van een opdoemende bocht bescheen, dan kan niemand ooit “het is zo” zeggen. Want hoe weet hij dat het nog wel zo is? Als iedereen zou zien dat niets “is” en alles “veranderlijk”, dan zouden we zijn als water, vormloos en onbestendig. Bij deze gedachten week de regen, de ruitenwissers vorderden zicht en het jazz bandje hervond mijn gehoor. De eerst sporadisch geplaatste lantaarnpalen werden nu regelmatiger en deden denken aan een landingsbaan voor mensen die het ijle verruilen voor voet aan grond. Synchroon met de donder botste ik op het begin van een verharde weg die het einde van het bos aankondigde…

Toen ik later thuiskwam en de pen boven papier liet zweven, schreef ik volgende woorden:

Geen mens kan zich roemen op recht en reden
om met “het is zo” u te woord te treden
want goede gronden betreedt hij pas,
bij “ik hoop dat het zo zal zijn” of
“ik meen dat het zo was”.
Verandering is de enige constante.
Ook wij als kind uit de aarde ontstaan
om er als oude grijsaard in op te gaan,
moeten zolang we lucht en leven genieten
ons in aller mogelijke vormen gieten.

Ergens daarbuiten hoog in de kruinen van een eeuwenoud bos wint de zwaartekracht het gevecht met de laatste regendruppels van een stormachtige nacht.



Ode aan een beamer
januari 18, 2008, 9:51 pm
Ingedeeld onder: Ode

In het verder aardedonkere huis zwerft een zuil van licht horizontaal door de kamer.
Alsof in een spotlight dansen warrelende stofdeeltjes er doorheen.
Op de wijnrode muur breekt de straal in een spectrum van kleuren die eroverheen krioelen en zich in vlot tempo laten verjagen door weer andere kleuren. Uit twee pensioengerechtigde boxen klinkt het geluid dat als een tangodanser het licht en de stofdeeltjes begeleid. Om zo samen tot een climax te komen… die wij film zouden noemen.



Stokje
januari 18, 2008, 1:54 am
Ingedeeld onder: Stokje

Mijn eerste stokje en dat al vanaf post 3!
Veel dank daarvoor Osahi!

3 bands en/of artiesten die ik vorig jaar heb leren kennen?

Bij deze een greep uit 3 heel erg uiteenlopende muziekstijlen…

1) Celliste Jacqueline du Pré (geboren 1945- overleden 1987)

Onlangs leren kennen via you-tube en meteen aan haar verknocht!
Niet alleen klinkt het stuk dat ik hier onder plak fantastisch
maar zelden zag ik een vrouw zo levendig genieten van haar spel.
Het meisje werd op haar 22st beroemd en door sommige uitgeroepen
als de beste celliste van de 20st eeuw, maar kreeg jammer
genoeg op het hoogtepunt van haar roem te kampen met de ziekte
multiple sclerose waardoor ze haar cellospel heeft moeten opgeven.
Hoe het ook heeft mogen gaan, hieronder kan je genieten van
het beloofde filmpje.

2) Folkmetalband Eluveitie (http://www.myspace.com/eluveitie)

2007 was voor mij HET festival jaar, was nog nooit eerder naar
een festival geweest. Drie dagen vergeten te eten, slapen
met stopjes in je oren en op dag drie het verschil tussen bier
en cola niet meer proeven….fantastisch! :)
Het festival heet Graspop (www.graspop.be) en de beste groep
die er (volgens mij) op 2007 aanwezig was heet Eluveitie.
Heb na afloop al hun cd’s gekocht, was niet moeilijk, ze hadden
er maar 2. (ondertussen “bijna” 3)
Dit jaar Graspop, ik zal er zijn, hopelijk Eluveitie ook.

3) Jazz-zangeres Norah Jones (en sinds kort ook actrice)

Mag herontdekken ook? Ik kende haar reeds van haar muziek
Maar eind vorig jaar leerde ik haar ook kennen op het witte doek.
My Blueberry Nights“, 45 minuten gereden om de dichtstbijzijnde
bioscoop te bereiken die hem draaide, maar het was elke kilometer waard!

3 dingen die ik afgelopen jaar heb meegemaakt,
gehoord,… en die me altijd zullen bijblijven

1) In Januari was ik voor het eerst sinds mijn 15, één volledig
jaar vrijgezel. Ik was nog nooit zover van huis geweest.
(Ondertussen 2 jaar vrijgezel en die thuis is ver zoek,
ik hoop maar dat ik niet net als Odysseus 20 jaar van huis ben.)

2) Uit de bol gegaan bij optreden Papa Roach, mij nog nooit
zo staan uitleven op muziek. Het was rond de middag (festival)
en ik was wakker van de middag de dag ervoor (van nachtshift rechtstreeks…),
had een krat bier gedronken (op nuchtere, onbeslapen maag)
en het regende dat het goot, ben na afloop in mijn tentje gekropen om te slapen tot de avond.

3) Met 8 vrienden een kanjer van een villa gehuurd in zuid Frankrijk.
Gelegen op een heuvel omringt door wijngaarden, privé zwembad, privé bos,
tot zelfs een eigen bibliotheek! (waarvan ik naar ik meen elk boek minstens 2x
heb vastgehad ;-) ) Deze villa is de meetlat waarmee elk volgend
vakantiehuis gemeten zal worden.

3 (vreselijke) blunders die ik in 2007 op mijn naam heb staan?
3 dingen die me héél stiekem ongelooflijk trots maakten?

Blunders:

1) Verkeersboete 1

2) Verkeersboete 2

3) Verkeersboete 3

(Alle drie omwille van verkeerd parkeren)

Stiekem ongelooflijk trots op:

1) Zonder ervaring muren beginnen schilderen (in het wijnrood en tortelduifgrijs)
en het er goed vanaf gebracht.

2) Katje “Pipedum” geadopteerd.

3) Enkele van mijn gedichten die ik na meer dan 2x lezen nog steeds goed keurde.

Ik ken nog maar heel weinig mensen, dus bij deze, wie het stokje wil, mag het vangen!
(Ik doe trouwens ook mijn recentste parkeerboete van de hand….iemand? Niemand?)

 



De koffiemachine
januari 16, 2008, 11:55 pm
Ingedeeld onder: Beroepsavonturier

 Op één van mijn vele omzwervingen als beroepsavonturier (althans tussen mijn oren), kwam ik eens ergens te werken waar … Nuja lees maar.

“ Op mijn zoektocht naar een koffiemachine kwam ik, al hunkerend naar het bittere
vocht, voorbij een glazen doos die fungeerde als kantoor en ook onthaal. Over de
ramen van deze doos zaten twee geblindeerde banden in mat glas waartussen ik, in mijn
onwetendheid, van op een afstandje tussenheen gluurde. Het eerste wat ik zag, was
een muur geschilderd in een soort lichte mokka tint (koffie!!), enkele stappen dichterbij
gunde het perspectief mij de samengebonden haren van …, nog wat dichter de zachtgrijze
ogen, dan het welgevormde neusje, de lichtgekleurde lippen, de blanke gladde hals,
de half ontblote sleutelbeenderen en dan… de tweede band van mat glas.
In mijn haast om naar buiten te lopen, zodat niet elke raam in een straal van 5 meter rondom mij zou aandampen, was ik bijna de in de hal staande koffiemachine voorbij gelopen.

…Onnodig te verhalen dat ik op het einde van de dag alle koffievariaties en de daarbijhorende sneltoetsen uit het hoofd kende.”



O Fortuna
januari 16, 2008, 12:57 pm
Ingedeeld onder: Uncategorized

(vervolg op de header) 

Diezelfde nacht sliep ik al nog voor ik mijn kussens raakte en vergleed in
een bodemloze slaap, waaruit zelfs een aanbellende postbode me niet kon wekken.
Later die dag in de nog schemerende uurtjes van de vroege namiddag, trok ik
met het door de postbode achtergelaten strookje papier naar het posthuis.
Waar een montere grijsaard van over zijn bril het vodje bekeek, mij met een bete grijns aanstaarde en mij mijn paspoort vroeg.
Ik stootte een keelgeluid uit dat nog het meeste weg had van “ajuk” en sloot
daarbij even de ogen.

Ik wierp mijn hoofd in mijn hals en ontblote mijn tanden, een niet
bestaand haardvuur vond zijn reflectie in mijn ogen en toen….
O FORTUNA

De grijsaard werd zo bleek als zijn baard en ik sloeg hem de daver op het lijf.
Proestend van ongemak en bijna in zijn speeksel stikkend vouwde hij zijn handen samen ter hoogte van zijn mond en zei “geen paspoort…geen paspoort”.
Daarna hield hij ontwapenend zijn handpalmen open aan weerszijde
van zijn lichaam ten teken van verzoening. Om dan bijna over zijn bureaustoel
te vallen in zijn haast om mij mijn pakje te bezorgen.

Toen opende ik mijn ogen weer en de grijsaard zat nog steeds op zijn stoel
met uitgestrekte handpalm mij vragend aan te kijken. Ik nam mijn paspoort en gaf hem die.

Even later stond ik weer op straat met een weinig belovende brief in mijn handen.
Bovenaan links op het onding prijkte de blauw met witte vlam van de politie.
Het was een boete wegens verkeerd parkeren!

Zucht, wat hebben brave burgers het zwaar te kampen.
Soms zou ik wat meer O FORTUNA willen zijn!