Voor de spiegel in de badkamer staat een vrouw haar haren te kammen terwijl een man stiekem in de deuropening komt gluren.
Zijn mond staat zacht open en hij lijkt volledig door fascinatie bevangen, wanneer opeens de deurstijl kraakt en zij zich omdraait.
Zeg eens, wie denkt gij wel te wezen dat ge schaamteloos naar mij staart?
Och verschoning mijne vrouwe, ‘k dacht dat g’ een oud bekende waart!
En dat ter uwe verdediging zulk een zwak verzonnen smoes?
Ach, wat kan ik anders zeggen? Ben zo danig in een roes!
Ge moet u eens bekijken, zo pront als een godin, grote ogen, blanke armen en schoongelokte lokken, met wijde krullen in.
…Toen ik u zag lopen is de vrees mij in ‘t hart geslaan,
dat gij ‘t over uw hart zou krijgen, uit mijn blikveld weg te gaan.
En eureka! ‘K had een plan! ‘K zou zelf die demon verslaan,
door u overal te volgen en dicht bij u te staan.
…Dus vrouwe, nu smeek ‘k u, laat mij niet wijken, want dan is ‘t met mij gedaan. Zonder u om naar te kijken, zal ik voorwaar vergaan!
Ach mijnheer, ‘t is al drie dagen, dat gij naar mij loopt te kijken.
En dat gij zelfs in mijn eigen huis, niet van mij zij’ wil wijken.
‘K heb drie dagen niets gezegd en u laten begaan,
ook al wist ik niet wie gij zijt en ging dat mij niet aan.
…’K was drie dagen te verlegen, om te vragen, waarom gij naar mij staart.
En ‘k heb dan maar gedaan, alsof gij er niet waart.
…Maar mijnheer, nu word het echt te veel, voor een hartstochtelijke meid…
Want al jou aandacht en interesse, die wil ik nooit meer kwijt!
Hij komt binnen en neemt haar in zijn armen.
Ach vertel me alle dagen, hoezeer ge me op ‘n godin vind gelijken,
dan beloof ik u, m’n lief, zult ge nooit van me moeten wijken…
Het tafereel gaat op in waas, en het lijkt alsof we weg worden getrokken van wat zich daar afspeelt. Vaag horen we nog hoe de geliefden elkaar liefkozend toespreken…
Dan is het stil.