Ingedeeld onder: Stokje
De top drie van mijn neus
Nasa Rhinathiol (Neusspray waar ik beter een abonnement op kan nemen)
“Het parfum” van Patrick Süskind (mocht het bestaan)
Andermans zaken (stiekem, soms)
De top 3 van mijn smaakpapillen.
Alpro Soya met banaan
Tokayerwijnen (Catharina de Grote liet de nis met Tokayers niet voor niets door een gewapend gardist bewaken)
Woorden die op het puntje van mijn tong liggen
De top 3 van mijn oren.
Krakende grammofoonplaten
De piano versie van Debussy’s “Clair de lune”
Het infantiele stemmetje van een ondeugend meisje
De top 3 van mijn ogen.
Huizenhoge filmprojecties
Met boeken gevulde muren
Topjes met spaghettibandjes
De top 3 van mijn huid.
De zon om en alom
(Knijpen in) kattenoren (maar niet te hard)
Een zondagochtendknuffel
(Voor Melissa)
Ingedeeld onder: Sleurloze-vrijdag
Vrijdag is anders, op vrijdag ben ik altijd even sleurloos. Ik stap van mijn gewoontes af en ga nieuwe plaatsen verkennen, nieuwe mensen ontmoeten en een keer in de maand nieuwe boeken kopen. Vandaag was weer zo’n vrijdag, ik had me voorgenomen met een zak friet rond het kasteeltje van Turnhout te wandelen, dat pal in het historisch centrum ligt, en waar jongeren en prille koppeltjes graag rondhangen. De opzet was niet groots, maar het was iets dat ik anders nooit deed, en dus bij voorbaat perfect voor sleurloze-vrijdag.
Ik zou kunnen vertellen dat er meisjes in de frituur zaten die naar mij knikte en lachte om daarna verlegen in hun bakje friet te duiken, en ik zou daarmee niet liegen. Ook kan ik vertellen over een dronken man die werd uitgelachen door een bende jongeren en die bij mij met dubbele tong frietjes kwam vragen, die ik hem gaf. Ik zou zelfs kunnen vertellen over het koppeltje dat ik eerst niet zag, maar wel hoorde en dat bij nadere inspectie in de struiken lag te rollebollen.
En ik zou dat ongetwijfeld gedaan hebben mocht het niet zijn voor de jongen met de “diablo”.

Na mijn ronde rond het kasteeltje, had ik mij op één van de grote treden aan het water genesteld, om daar wat overgebleven was van mijn friet te verorberen. Toen ik bij mijn laatste hap een klein fietsje zag naderen met daarop een jongen, die nog niet tot aan mijn middel kwam. Ik besteedde weinig aandacht aan hem, omdat er wel vaker mensen voorbij fietsen. Maar deze jongen stopte, kwam pal achter mij staan en riep vrolijk “Hey!”, “Hoi” zei ik. “Ken jij dit?” vroeg hij, mij een tol met twee stokken en een touw onder de neus duwend. “Al wel gezien, kan jij het?”. “Nog niet zo goed maar ik zal het voordoen en dan moet jij ook proberen, ok?”. “Ok”. Hij stapte weg van het water “anders valt mijn tol er in” en begon vaardig met de stokken te wiebelen, zodat de tol aan het rollen ging. “Dit is een -diablo-” zei hij en hij wees met zijn vinger naar de tol. Hij keek mij onderzoekend aan en vroeg “Wat is een diablo?”. “Die tol daar”. “Juist, je hebt het onthouden”. “Weetje wat -diablo- betekent?” vroeg ik hem. “Ja, diablo betekent diablo”. “Ook, maar diablo is ook Spaans”. “Spaans?”. “Ja, Spaans voor duivel”. “Cool, ik speel met een duivel”. “Ja”. “Wil jij ook eens proberen?”. “Ok”. Na een klunzige poging mijner zijde maar toch met redelijk resultaat gaf ik hem de diablo weer. En hij begon mij meteen een nieuw trucje te tonen. “Kijk goed, want zo dadelijk moet jij het doen”. “Ok”. “Ik mag van mama en mijn stief papa niet op het gras spelen, ik ben de jongste thuis, maar niet de kleinste, mijn zus Jolien is kleiner en ik heb ook nog een broer, ik ben het kakelnestje, wil je nog eens proberen?”. “Ok”. Na een paar mislukte pogingen wou ik hem de tol teruggeven “Ik kan dit niet”. “Jij bent niet de enige aan wie ik dit probeer te leren”. “Aan wie nog meer?”. “Alle mensen die ik tegenkom”. “En kunnen die het?”. “Die zeggen -Ik kan het niet, ik kan het niet-”. “En wat doe je dan?”. “Dan zeg ik -proberen is leren-”. “Dat is waar -proberen is leren-”. Ik probeerde nog eens, en nog eens, daarna nog eens “Kijk! Kijk! Het lukt!”. “Kijk, nu moet je dit proberen”. “Ik moet eigenlijk doorgaan”. “Nog eentje”. “Ok”. Hij deed nog een trucje voor en ik deed het hem na, zonder fout deze keer. “Nog eentje” probeerde hij. “Neenee” lachte ik “ik moet echt door, maar je moet zelf veel proberen en dan doen we het volgende keer nog eens”. “Ok”. Ik wandelde weg, mij een beetje ongemakkelijk voelend. En toen ik voor ik de hoek omsloeg achter mij keek, was hij mij reeds vergeten, en stond gefascineerd met zijn tol te spelen. “De jongen met de diablo” mompelde ik bij mijzelf “de temmer van duivels”.
Toen ik 2 minuten later met mijn auto voorbij reed, was hij weg, en ook zijn fietsje. Ongetwijfeld probeerde hij, al dan niet tevergeefs, het kind wakker te schudden in de volgende eenzame ziel die zijn pad kruiste. “Proberen is leren” hoorde ik zijn kinderstemmetje nog. Soms is er een kind nodig om je erop te wijzen dat je beperkingen geen vastgeroeste waarden zijn en dat je nog steeds kan proberen en leren, ook al was je dat zelf vergeten.