Geflankeerd met kaarsen, lag het vel papier, roerloos en onbeschreven op het nachtkastje. Erboven beet de schrijver verrukt op het puntje van zijn tong. Het vuur in zijn ogen bleek niet enkel een reflectie van kaarslicht te zijn, want voor je het doorhad, nam hij een pen en richtte deze op het papier, als was het een toverstaf.
Alles werd donker, donkerder, … gitzwart. Met grote kunstige halen, toverde hij sterren. Zo schitterend, dat ze de ogen zouden doen fonkelen van ieder die ernaar keek. Toen kwam er mist, als voorbode van dikke wolken, zo dicht gezaaid dat het geheel als een paars omfloerst dekbed, de hemel betrok. Als laatste beschreef hij een maan, deze kwam als een ondergaande zon met haar bovenste helft doorheen het wolkendek. Zo groot en dichtbij was ze, dat je met het blote oog haar kraters kon tellen.
Tevreden naar zijn tafereel starend, tikte hij met zijn pen op een klein wolkje, waarna hij de erom hangende nevels al roerend rond zijn pen begon te wikkelen, tot het zich daaronder verschuilende zich aan ons toonde. Het waren twee mensjes, die wel piepklein leken zo hoog in het onmetelijke. Alsof ze nooit wat anders dan de pas verwijderde nevel hadden gezien, begonnen ze verwonderd om zich heen te kijken.
Opspringend en naar de maan wijzend riep het meisje “O, kijk, de maan!” en haar armen wijd spreidend “zo groot heb ik haar nooit eerder gezien!”. De jongen kwam achter haar staan, vouwde zijn armen om haar heen en legde zijn kin op haar schouder. “Vestje het is wondermooi!” zei ze. “Had ik het je niet beloofd?” zei hij, terwijl ze zich naar hem omdraaide. Zijn ogen ontmoette de hare en ze bleven neus tegen neus staan. Zo dicht bij was ze nu, dat hij haar zoete adem bijna kon proeven. “Nu?” vroegen haar lippen geluidloos. “Nee, nog niet.” zei hij, waarna hij zijn hoofd even op haar schouder liet rusten om dan met zijn lippen een weg naar haar oor te zoeken. “Kijk boven je.” fluisterde hij. Ze legde haar hoofd in haar hals en liet hem los, waarna ze achteruit begon te wandelen, nog steeds naar boven kijkend.
De duizend sterren die aan de hemel stonden begonnen te vallen, een voor een. Eerst langzaam op elkaar volgend, daarna sneller. Sommige constellaties knalden uiteen, waardoor de sterren elk een andere baan beschreven, anderen lieten zich als door de wind uit de hemel vagen. Maar allen vielen ze en terwijl ze vielen, trokken ze lange zilveren strepen doorheen de gitzwarte nacht.
Overal om hen heen dwarrelde een regen van sterrenstof, waarvan elk deeltje de maan reflecteerde. Haar ogen gingen glimmen, en met een gelukzalige glimlach op haar lippen vroeg ze “Nu dan?”. “Ja, nu.” zei hij glimlachend, haar dicht tegen zich aan trekkend. Ondanks haar tranen vond ze zijn lippen, en alzo besloten ze hun liefde. Fel omkranst door een regen van sterren, elkaar omhelsend op een dek van wolken en in een wereld ontsprongen aan de punt van een pen.
En alzo, besloot de schrijver het vel papier. Hij legde zijn pen op zijn nachtkastje, blies de kaarsen uit en kroop weer onder de dons. Vast besloten ook zijn volgende droom met ons te delen.
1 Reactie tot nu toe
Plaats een reactie
Plaats een reactie
Automatische regel en alinea afbreking, email adressen nooit getoodn, toegestane HTML:
<a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>
Prachtig !
Reactie door micheleeuw februari 21, 2008 @ 3:06 pmIk herinner mijn dromen bijna nooit en dat is beter zo want ik droomde alleen nog van mijn verdwenen katje …