Liefde…
februari 22, 2008, 8:03 pm
Ingedeeld onder: Rijmsels

Is ‘t niet hemeltergend,
dat wat zich liefde noemt
Dat ‘t zomaar zonder vragen,
uw hart tot smachten doemt
En dat ‘t immer ongelegen,
uw hoofd met rijmsels vult
Ook dat het zonder schamen,
u in de borstkas brult
Het vuur in u doet laaien,
tot ‘t ijs aan ‘t smelten gaat
En bitter als een weduwe,
u onverzadigd laat

 (door Likmevestje)



Wolkendek
februari 19, 2008, 9:17 pm
Ingedeeld onder: Dromen, Mijmeringen

Geflankeerd met kaarsen, lag het vel papier, roerloos en onbeschreven op het nachtkastje. Erboven beet de schrijver verrukt op het puntje van zijn tong. Het vuur in zijn ogen bleek niet enkel een reflectie van kaarslicht te zijn, want voor je het doorhad, nam hij een pen en richtte deze op het papier, als was het een toverstaf.

Alles werd donker, donkerder, … gitzwart. Met grote kunstige halen, toverde hij sterren. Zo schitterend, dat ze de ogen zouden doen fonkelen van ieder die ernaar keek. Toen kwam er mist, als voorbode van dikke wolken, zo dicht gezaaid dat het geheel als een paars omfloerst dekbed, de hemel betrok. Als laatste beschreef hij een maan, deze kwam als een ondergaande zon met haar bovenste helft doorheen het wolkendek. Zo groot en dichtbij was ze, dat je met het blote oog haar kraters kon tellen.

Tevreden naar zijn tafereel starend, tikte hij met zijn pen op een klein wolkje, waarna hij de erom hangende nevels al roerend rond zijn pen begon te wikkelen, tot het zich daaronder verschuilende zich aan ons toonde. Het waren twee mensjes, die wel piepklein leken zo hoog in het onmetelijke. Alsof ze nooit wat anders dan de pas verwijderde nevel hadden gezien, begonnen ze verwonderd om zich heen te kijken.

Opspringend en naar de maan wijzend riep het meisje “O, kijk, de maan!” en haar armen wijd spreidend “zo groot heb ik haar nooit eerder gezien!”. De jongen kwam achter haar staan, vouwde zijn armen om haar heen en legde zijn kin op haar schouder. “Vestje het is wondermooi!” zei ze. “Had ik het je niet beloofd?” zei hij, terwijl ze zich naar hem omdraaide. Zijn ogen ontmoette de hare en ze bleven neus tegen neus staan. Zo dicht bij was ze nu, dat hij haar zoete adem bijna kon proeven. “Nu?” vroegen haar lippen geluidloos. “Nee, nog niet.” zei hij, waarna hij zijn hoofd even op haar schouder liet rusten om dan met zijn lippen een weg naar haar oor te zoeken. “Kijk boven je.” fluisterde hij. Ze legde haar hoofd in haar hals en liet hem los, waarna ze achteruit begon te wandelen, nog steeds naar boven kijkend.

De duizend sterren die aan de hemel stonden begonnen te vallen, een voor een. Eerst langzaam op elkaar volgend, daarna sneller. Sommige constellaties knalden uiteen, waardoor de sterren elk een andere baan beschreven, anderen lieten zich als door de wind uit de hemel vagen. Maar allen vielen ze en terwijl ze vielen, trokken ze lange zilveren strepen doorheen de gitzwarte nacht.

Overal om hen heen dwarrelde een regen van sterrenstof, waarvan elk deeltje de maan reflecteerde. Haar ogen gingen glimmen, en met een gelukzalige glimlach op haar lippen vroeg ze “Nu dan?”. “Ja, nu.” zei hij glimlachend, haar dicht tegen zich aan trekkend. Ondanks haar tranen vond ze zijn lippen, en alzo besloten ze hun liefde. Fel omkranst door een regen van sterren, elkaar omhelsend op een dek van wolken en in een wereld ontsprongen aan de punt van een pen.

En alzo, besloot de schrijver het vel papier. Hij legde zijn pen op zijn nachtkastje, blies de kaarsen uit en kroop weer onder de dons. Vast besloten ook zijn volgende droom met ons te delen.



Des morgens
februari 11, 2008, 4:35 pm
Ingedeeld onder: Beroepsavonturier, Met veel knipoog, Mijmeringen

Het volgende speelt zich af in een klein prefab kantoortje, nog voor dag en dauw. Zo onbeweeglijk zat ik daar dat ik voor het ongeoefende oog, als onzichtbaar, opging in het om mij liggende. Zwaar achteruit geleund in mijn stoel, handen gevouwen op de buik en benen gestrekt onder een gammel bureautje, zat ik in het raam naar mijn reflectie te staren. Naast mij vond een bekertje koffie verkoeling aan de nog koele buitenlucht, die zich via een op een kier staande raam een weg naar binnen vond. Zo lang keek ik naar mijzelf, tot ik de neiging kreeg mijn blik af te wenden. “Wie ben jij?” vroegen de lippen mij geluidloos. “Wie ben jij, dat je zolang naar mij staren kan… terwijl de rest van de wereld amper de tijd neemt om zijn veters te strikken”. Ik keek naar de reflectie en begon toen te grijnzen, hij grijnsde naar mij en samen weerlegde we ons blikveld. Onze ogen vonden  de koffie. Het Arabische vocht wierp dikke pluimen damp ten tonele waarin we sprookjes uit 1001 nacht herkende. Nu eens vormde zijn dampen Ali Baba, dan weer een tafereel uit Sinbad, …
Erdoor gefascineerd bleven we staren tot het eerste ochtendlicht ons de reflectie ontnam. In strijdlust met een ochtendhumeur goot ik alle 1001 sprookjes over mijn lippen, begon  mij ostentatief uit te rekken en floot zacht “de morgen” van Edvrard Grieg. Buiten spreidde de ochtendstond haar rozerode vingers aan de kim. Mij door mijn stoppelbaard wrijvend kwam ik met lichte tegenzin overeind, wierp het verfrommelde koffiebekertje in een emmer en verliet het kantoortje.

Aldaar werd ik verwelkomt door een nog prille maandagochtend. Haar kille ochtendlucht tegen mijn longen jagend stond ik te trillen van sensatie. Het eerder vernoemde ochtendhumeur blies, in contact met de zon, luid krijsend de aftocht. Om zich in torment te gaan wentelen in het donkerste hoekje van mijn vergetelheid.
Boven mij beamde de zon een goudgeel licht tegen de omliggende gevels. Mij in de stad El Dorado wanend, draaide ik met armen gespreid om mijn as. Mijn lippen op elkaar persend om niet als een muzikale non in zang uit te barsten, aanschouwde ik in helse kleuren, dat wat vanmorgen nog in zwart wit was. “Reflectie, ik denk niet dat we nog in Kansas zijn” sprak ik tot mezelf in een plas.

Sloom slenterend volgde ik een goudgele weg tot aan een zwaar stalen deur, waarachter zich de werkvloer van een (hier niet verder vermeld) cosmetica bedrijf bevind.  

Vanuit de half-gewassen gezichten staarde de rijk met prut bedeelde ogen mij aan, toen ik mij een weg baande doorheen een meute maandagochtend zombies. Mijn luid The hills are alive” (with the sound of music) geneurie stond in schril contrast met de om mij heersende sfeer en lokte zelfs hier en daar een boos blik van een mij voorbij stormende werker. Luider nog werd mijn geneurie toen ik voorbij “het meisje in de doos” kwam, want zij straalde, zoals altijd.

Bij de koffiemachine vond ik een man die bijna bestiaal wild om zich heen loerde, als een  gek op de toetsen ramde en met zijn vrije hand op zijn been tokkelde. “Komaan” hoorde ik hem grommen doorheen zijn opeen geklemde tanden. “Wist je” begon ik een gesprek “dat er in 1 kopje koffie, wel zo’n 1001 sprookjes huizen?”. Hij sperde zijn ogen zo wijd open en begon zo heftig door zijn neus te ademen, dat ik bang was dat hij het uit zijn ogen druipende prut langs zijn neus naar binnen zou snuiven.

Hij beende weg, nog sneller dan een haas in het bos.
In zijn haast, welhaast over zijn haastig gestrikte veters struikelend, hoorde ik hem haastig vloeken.
Onthaast u!” riep ik hem na .

Tevergeefs, hij koos reeds het hazenpad.

Alzo vergleed des morgens in des middags.



De kraanman
februari 5, 2008, 5:43 pm
Ingedeeld onder: Beroepsavonturier, Met veel knipoog

De gekgeworde kraanman, trapte plankgas. Het ijzeren monster op rupsbanden, dat eerst zo doods leek, kwam nu krijsend tot leven. Verschrikt liet ik de bom vallen, die ik aan het ontmantelen was en zocht de ogen van de bestuurder. Weg, ze waren weg, verscholen achter de aangedampte glazen van zijn bril, zijn neusvleugels wijd opengesperd en zijn tanden ontbloot, kwam hij hoonlachend op mij afgestormd. Ostentatief zuchtend, veegde ik mijn handen af aan mijn, van fluorescerende strepen voorziene, maatpak, dronk een slok single malt uit een blikken veldflesje, knipoogde naar de dichtst bijzijnde vrouwelijke collega, wierp een blik op mijn horloge, stelde treurig vast dat ik de pauze zou gaan missen, en sloeg toen op de vlucht. De kraanman liet zijn klauw open en dichtklappen, als een stalen T-rex. Een onschuldig voorbijwandelende dielf het onderspit toen de klauw hem van het wegdek plukte en van zich afwierp, als was hij een stuk speelgoed. Toen de kraan langzaam terrein won, sprong ik op een voorbijrijdende heftruck, opende het portiek, kegelde de inzittende op het afvalt en wees met mijn stalen vorken richting vrijheid. Na te hebben geslalomd doorheen een parcour van toevallige hindernissen, waar de kraan vlot door en overheen reed, barstte hij uiteindelijk doorheen de muur, waarachter ik mij verscholen had, om dan luid krijsend, als wanneer staal buigt, om te kantelen en op zijn zij te vallen. De klauw ging nog eenmaal open en dicht en bleef toen dicht. Het monster was dood, het gevaar was geweken. De kraanman klauterde uit de cabine, bedolven onder het stof en beloofde om het vakantiehuisje dat hij pardoes bovenop een indiaanse begraafplaats had gebouwd, die zelfde avond nog met de grond gelijk te maken, nooit meer krankzinnig te worden en mij te trakteren op een martini “shaken not stirred” in de kantine. Luid juichend kwamen de collega’s, die zich hadden verstopt, uit hun schuilplaatsen, de mannen sloegen zich luid op de borst en zwoeren dat ze ooit zo kloek als mij zouden worden, de vrouwen wierpen kushandjes en en lonkten naar mij met tedere blikken.

Het was toen, meneer de grote baas, dat ik, in mijn overmoed, de heftruck nam, drie maal in het rond draaide en de rij met mannelijke collega’s afreed om vanuit het portiek “high fives” uit te delen. En het was kort daarop, meneer de grote baas, dat ik blind van vreugde, over de voet van Erwin reed, waardoor hij naar het ziekenhuis moest.

Tegenover mij had de man die ik “meneer de grote baas” noemde, zijn lip opgetrokken als een haas, en onder zijn oog was een zenuw vervaarlijk aan het trekken. Het was pas toen er schuim op zijn lippen kwam dat ik de ernst er van in zag. Daarna werd ook hij naar het ziekenhuis gevoerd. Volgens de dokter was hij zodanig innerlijk in razernij ontstoken, dat hij er een longontsteking door had opgelopen.

Later die dag toen ik mij afmelde en al strompelend, van de mij getrakteerde martini’s, naar mijn kastje ging, om mijn rugzak en autosleutels, vond ik daar op het deurtje een hele resem post-its met daarop de telefoonnummers van veelbelovende dames. Glimlachend gooide ik mijn autosleutels in de lucht en ving ze vaardig weer op. Wat was het schitterend om een beroepsavonturier te zijn!

(Dit schrijven werd opgedragen aan Geert, mijn baas, die in het ziekenhuis ligt
met een longontsteking en aan Erwin, de collega die een week inmobiel was omwille
van mijn heftruck kunsten. Beste Erwin, mogen u voeten nooit meer mijn wielen vinden!)