Top dries
april 29, 2008, 11:18 pm
Ingedeeld onder: Stokje

De top drie van mijn neus

Nasa Rhinathiol (Neusspray waar ik beter een abonnement op kan nemen)
“Het parfum” van Patrick Süskind (mocht het bestaan)
Andermans zaken (stiekem, soms)

De top 3 van mijn smaakpapillen.

Alpro Soya met banaan
Tokayerwijnen (Catharina de Grote liet de nis met Tokayers niet voor niets door een gewapend gardist bewaken)
Woorden die op het puntje van mijn tong liggen

De top 3 van mijn oren.

Krakende grammofoonplaten
De piano versie van Debussy’s “Clair de lune”

Het infantiele stemmetje van een ondeugend meisje ;-)

De top 3 van mijn ogen.

Huizenhoge filmprojecties
Met boeken gevulde muren
Topjes met spaghettibandjes

De top 3 van mijn huid.

De zon om en alom
(Knijpen in) kattenoren (maar niet te hard)
Een zondagochtendknuffel

(Voor Melissa)



Proberen is leren
april 25, 2008, 9:11 pm
Ingedeeld onder: Sleurloze-vrijdag

Vrijdag is anders, op vrijdag ben ik altijd even sleurloos. Ik stap van mijn gewoontes af en ga nieuwe plaatsen verkennen, nieuwe mensen ontmoeten en een keer in de maand nieuwe boeken kopen. Vandaag was weer zo’n vrijdag, ik had me voorgenomen met een zak friet rond het kasteeltje van Turnhout te wandelen, dat pal in het historisch centrum ligt, en waar jongeren en prille koppeltjes graag rondhangen. De opzet was niet groots, maar het was iets dat ik anders nooit deed, en dus bij voorbaat perfect voor sleurloze-vrijdag.

Ik zou kunnen vertellen dat er meisjes in de frituur zaten die naar mij knikte en lachte om daarna verlegen in hun bakje friet te duiken, en ik zou daarmee niet liegen. Ook kan ik vertellen over een dronken man die werd uitgelachen door een bende jongeren en die bij mij met dubbele tong frietjes kwam vragen, die ik hem gaf. Ik zou zelfs kunnen vertellen over het koppeltje dat ik eerst niet zag, maar wel hoorde en dat bij nadere inspectie in de struiken lag te rollebollen.

En ik zou dat ongetwijfeld gedaan hebben mocht het niet zijn voor de jongen met de “diablo”.

 

Na mijn ronde rond het kasteeltje, had ik mij op één van de grote treden aan het water genesteld, om daar wat overgebleven was van mijn friet te verorberen. Toen ik bij mijn laatste hap een klein fietsje zag naderen met daarop een jongen, die nog niet tot aan mijn middel kwam. Ik besteedde weinig aandacht aan hem, omdat er wel vaker mensen voorbij fietsen. Maar deze jongen stopte, kwam pal achter mij staan en riep vrolijk “Hey!”, “Hoi” zei ik. “Ken jij dit?” vroeg hij, mij een tol met twee stokken en een touw onder de neus duwend. “Al wel gezien, kan jij het?”. “Nog niet zo goed maar ik zal het voordoen en dan moet jij ook proberen, ok?”. “Ok”. Hij stapte weg van het water “anders valt mijn tol er in” en begon vaardig met de stokken te wiebelen, zodat de tol aan het rollen ging. “Dit is een -diablo-” zei hij en hij wees met zijn vinger naar de tol. Hij keek mij onderzoekend aan en vroeg “Wat is een diablo?”. “Die tol daar”. “Juist, je hebt het onthouden”. “Weetje wat -diablo- betekent?” vroeg ik hem. “Ja, diablo betekent diablo”. “Ook, maar diablo is ook Spaans”. “Spaans?”. “Ja, Spaans voor duivel”. “Cool, ik speel met een duivel”. “Ja”. “Wil jij ook eens proberen?”. “Ok”. Na een klunzige poging mijner zijde maar toch met redelijk resultaat gaf ik hem de diablo weer. En hij begon mij meteen een nieuw trucje te tonen. “Kijk goed, want zo dadelijk moet jij het doen”. “Ok”. “Ik mag van mama en mijn stief papa niet op het gras spelen, ik ben de jongste thuis, maar niet de kleinste, mijn zus Jolien is kleiner en ik heb ook nog een broer, ik ben het kakelnestje, wil je nog eens proberen?”. “Ok”. Na een paar mislukte pogingen wou ik hem de tol teruggeven “Ik kan dit niet”. “Jij bent niet de enige aan wie ik dit probeer te leren”. “Aan wie nog meer?”. “Alle mensen die ik tegenkom”. “En kunnen die het?”. “Die zeggen -Ik kan het niet, ik kan het niet-”. “En wat doe je dan?”. “Dan zeg ik -proberen is leren-”. “Dat is waar -proberen is leren-”. Ik probeerde nog eens, en nog eens, daarna nog eens “Kijk! Kijk! Het lukt!”. “Kijk, nu moet je dit proberen”. “Ik moet eigenlijk doorgaan”. “Nog eentje”. “Ok”. Hij deed nog een trucje voor en ik deed het hem na, zonder fout deze keer. “Nog eentje” probeerde hij. “Neenee” lachte ik “ik moet echt door, maar je moet zelf veel proberen en dan doen we het volgende keer nog eens”. “Ok”. Ik wandelde weg, mij een beetje ongemakkelijk voelend. En toen ik voor ik de hoek omsloeg achter mij keek, was hij mij reeds vergeten, en stond gefascineerd met zijn tol te spelen. “De jongen met de diablo” mompelde ik bij mijzelf “de temmer van duivels”.

Toen ik 2 minuten later met mijn auto voorbij reed, was hij weg, en ook zijn fietsje. Ongetwijfeld probeerde hij, al dan niet tevergeefs, het kind wakker te schudden in de volgende eenzame ziel die zijn pad kruiste. “Proberen is leren” hoorde ik zijn kinderstemmetje nog. Soms is er een kind nodig om je erop te wijzen dat je beperkingen geen vastgeroeste waarden zijn en dat je nog steeds kan proberen en leren, ook al was je dat zelf vergeten.



Was alles maar konijnen - Renske de Greef
maart 21, 2008, 8:22 am
Ingedeeld onder: De andere boekbespreking

 Ze heet Sara. En ze is fictief. Maar daarom niet minder écht. Want ze bestaat, in mijn hoofd en via het boek van Renske de Greef. Ze is 23, 1,75m en ze weegt 60 kilo. Ze is blond. En ze is lief. En ergens tussen hoofdstuk 1 en 16 -Waar weet ik niet precies. Ging ik van haar houden. Ontzettend veel van haar houden. Gewoon, zomaar, om wie ze was.

Hoofdstuk, na hoofdstuk, verslond ik. En na elk hoofdstuk, ging ik even naar de achterflap kijken, naar Renske. Want ik hield ook van Renske. Renske die mij Sara bracht. Renske die mij blij maakte. Renske…waarbij het niet zou opvallen als ze een spiegel in het midden van haar gezicht hield. Zo symmetrisch was ze. Zo mooi was ze.

En ik hield van Sara en ik hield van Renske, ik hield van het leven en ik hield van het boek. Tot daar kwam, hoofdstuk 17! Een hoofdstuk waarvan de verbeelding mij nog steeds op het netvlies gebrand staat! Het hoofdstuk waarin Renske, Sara het park in laat gaan, dronken, bij nacht en waar Sara doet waarvan ik haar niet weerhouden kon. Met een oude vent, een wellustige, oude, vent.

Zoals ik niet precies wist waar ik van Sara ging houden. Zo wist ik nu precies waar ik daarmee stopte. Hoofdstuk 17. Daar waar Sara mijn hart brak. Daar waar Renske mij om de oren sloeg met haar harde woorden. Daar waar ik boos werd, daarna woedend en tot slot verdrietig.

Nu houd ik niet meer van Sara, maar nog steeds van Renske. Renske die mij wist te raken waar het pijn deed, enkel met woorden. Renske die doormiddel van dat ene hoofdstuk, me haar boek nooit zou doen vergeten. Renske is fantastisch.

Ik kijk vol verwachtingen uit naar haar volgende boek.

Woorden die ik heb geleerd uit dit boek:

Algeheel en Malaise en de combinatie van die twee, Algehele malaise.



Liefde is … de Efteling?
maart 17, 2008, 7:53 am
Ingedeeld onder: Mijmeringen

De Efteling is niet meer wat hij is geweest…

Ik herinner mij nog dat ik dartel als een jong veulen door het sprookjesbos huppelde. Luid O’end en A’end en terugdenkend aan een vervlogen zomerdag, bij het zwembad, waar ik las van de gebroeders Grimm.

Ik herinner mij ook dat ik laaiend enthousiast Danse Macabre herkende in het Spookslot, en propjes voerde aan holle bolle Gijs op het plein daarachter.

Ik herinner mij hoe ik haar bij de hand hield, en hoe we samen breed glimlachend door de lanen en over de paden schreden, en hoe we dicht tegen elkaar aan kropen in de Droomvlucht.

Ik herinner mij… zoveel dingen die er gisteren niet waren.

Ik geef de schuld aan het feit dat ik twee truien droeg, wat ongetwijfeld mijn ervaringen afstompte. En ook aan mijn regenjas, die het plezier weerhield van binnensijpelen.

Maar ergens diep onder die regenjas en twee truien wist ik dat het kwam omdat ze weg is, en nooit meer terug zal komen, en omdat ik elke seconde die ik met haar heb beleefd idealiseer, en dat ik dat altijd zou blijven doen…

…Tot ik opnieuw verliefd ben, en die liefde zou idealiseren, met zulk een heftigheid dat ik terstond vergeet ooit andere idealen te hebben gehad.



Stokje - Bedgeheimen
maart 10, 2008, 11:49 pm
Ingedeeld onder: Stokje

Gisteren kreeg ik op mijn gsm, via msn en vanuit de blogosfeer (doe het mij na) te lezen dat er eentje heel nieuwsgierig is, naar mijn slaapkamer gebeuren.
“Maar Melissa” zei ik haar “Je mag mij alles vragen!”. Ze was onwrikbaar (en verlegen), en vragen zou ze niet, nee, opdissen zou ik! En dan met voorkeur op mijn blog – for everyone to see.

(En wie kan het zulk een lief meisje weigeren?)

Dus bij deze, vrouwelijke lezers *, neem ik u allen (traditionelerwijs) bij de hand, en leid u binnen in de wonderenwereld, die zich mijn slaapkamer noemt. Alwaar wij ons bevinden, in the vale of night, by the candle light, …, want elektrisch licht, werd uit deze contreien gebannnen.

 (Vestje verlicht zijn slaapkamer met kaarsen, als dat geen “duister” geheim is!?)

Hier waar ik in schaduw en schaduwspel mijn dromen en liefdes koester.
Hier overpeins ik mijn dagen, voor het slapengaan.
Hier is het, dat mijn gezelschapsdame, zich de nacht noemt.
En het is hier dat ik de kaarsen uitblaas, zodat u allen weer terug naar uw pc worden gebeamd…

Tot daar mijn bedgeheim(zinnighed)en…
Ik gooi niet, maar geef vriendelijk het stokje aan Micheleeuw en Osahi . (Want ongetwijfeld zitten daar geheimpjes waar onze oortjes roodgloeiend van gaan staan!)

*: Sorry mannen



Liefde…
februari 22, 2008, 8:03 pm
Ingedeeld onder: Rijmsels

Is ‘t niet hemeltergend,
dat wat zich liefde noemt
Dat ‘t zomaar zonder vragen,
uw hart tot smachten doemt
En dat ‘t immer ongelegen,
uw hoofd met rijmsels vult
Ook dat het zonder schamen,
u in de borstkas brult
Het vuur in u doet laaien,
tot ‘t ijs aan ‘t smelten gaat
En bitter als een weduwe,
u onverzadigd laat

 (door Likmevestje)



Wolkendek
februari 19, 2008, 9:17 pm
Ingedeeld onder: Dromen, Mijmeringen

Geflankeerd met kaarsen, lag het vel papier, roerloos en onbeschreven op het nachtkastje. Erboven beet de schrijver verrukt op het puntje van zijn tong. Het vuur in zijn ogen bleek niet enkel een reflectie van kaarslicht te zijn, want voor je het doorhad, nam hij een pen en richtte deze op het papier, als was het een toverstaf.

Alles werd donker, donkerder, … gitzwart. Met grote kunstige halen, toverde hij sterren. Zo schitterend, dat ze de ogen zouden doen fonkelen van ieder die ernaar keek. Toen kwam er mist, als voorbode van dikke wolken, zo dicht gezaaid dat het geheel als een paars omfloerst dekbed, de hemel betrok. Als laatste beschreef hij een maan, deze kwam als een ondergaande zon met haar bovenste helft doorheen het wolkendek. Zo groot en dichtbij was ze, dat je met het blote oog haar kraters kon tellen.

Tevreden naar zijn tafereel starend, tikte hij met zijn pen op een klein wolkje, waarna hij de erom hangende nevels al roerend rond zijn pen begon te wikkelen, tot het zich daaronder verschuilende zich aan ons toonde. Het waren twee mensjes, die wel piepklein leken zo hoog in het onmetelijke. Alsof ze nooit wat anders dan de pas verwijderde nevel hadden gezien, begonnen ze verwonderd om zich heen te kijken.

Opspringend en naar de maan wijzend riep het meisje “O, kijk, de maan!” en haar armen wijd spreidend “zo groot heb ik haar nooit eerder gezien!”. De jongen kwam achter haar staan, vouwde zijn armen om haar heen en legde zijn kin op haar schouder. “Vestje het is wondermooi!” zei ze. “Had ik het je niet beloofd?” zei hij, terwijl ze zich naar hem omdraaide. Zijn ogen ontmoette de hare en ze bleven neus tegen neus staan. Zo dicht bij was ze nu, dat hij haar zoete adem bijna kon proeven. “Nu?” vroegen haar lippen geluidloos. “Nee, nog niet.” zei hij, waarna hij zijn hoofd even op haar schouder liet rusten om dan met zijn lippen een weg naar haar oor te zoeken. “Kijk boven je.” fluisterde hij. Ze legde haar hoofd in haar hals en liet hem los, waarna ze achteruit begon te wandelen, nog steeds naar boven kijkend.

De duizend sterren die aan de hemel stonden begonnen te vallen, een voor een. Eerst langzaam op elkaar volgend, daarna sneller. Sommige constellaties knalden uiteen, waardoor de sterren elk een andere baan beschreven, anderen lieten zich als door de wind uit de hemel vagen. Maar allen vielen ze en terwijl ze vielen, trokken ze lange zilveren strepen doorheen de gitzwarte nacht.

Overal om hen heen dwarrelde een regen van sterrenstof, waarvan elk deeltje de maan reflecteerde. Haar ogen gingen glimmen, en met een gelukzalige glimlach op haar lippen vroeg ze “Nu dan?”. “Ja, nu.” zei hij glimlachend, haar dicht tegen zich aan trekkend. Ondanks haar tranen vond ze zijn lippen, en alzo besloten ze hun liefde. Fel omkranst door een regen van sterren, elkaar omhelsend op een dek van wolken en in een wereld ontsprongen aan de punt van een pen.

En alzo, besloot de schrijver het vel papier. Hij legde zijn pen op zijn nachtkastje, blies de kaarsen uit en kroop weer onder de dons. Vast besloten ook zijn volgende droom met ons te delen.



Des morgens
februari 11, 2008, 4:35 pm
Ingedeeld onder: Beroepsavonturier, Met veel knipoog, Mijmeringen

Het volgende speelt zich af in een klein prefab kantoortje, nog voor dag en dauw. Zo onbeweeglijk zat ik daar dat ik voor het ongeoefende oog, als onzichtbaar, opging in het om mij liggende. Zwaar achteruit geleund in mijn stoel, handen gevouwen op de buik en benen gestrekt onder een gammel bureautje, zat ik in het raam naar mijn reflectie te staren. Naast mij vond een bekertje koffie verkoeling aan de nog koele buitenlucht, die zich via een op een kier staande raam een weg naar binnen vond. Zo lang keek ik naar mijzelf, tot ik de neiging kreeg mijn blik af te wenden. “Wie ben jij?” vroegen de lippen mij geluidloos. “Wie ben jij, dat je zolang naar mij staren kan… terwijl de rest van de wereld amper de tijd neemt om zijn veters te strikken”. Ik keek naar de reflectie en begon toen te grijnzen, hij grijnsde naar mij en samen weerlegde we ons blikveld. Onze ogen vonden  de koffie. Het Arabische vocht wierp dikke pluimen damp ten tonele waarin we sprookjes uit 1001 nacht herkende. Nu eens vormde zijn dampen Ali Baba, dan weer een tafereel uit Sinbad, …
Erdoor gefascineerd bleven we staren tot het eerste ochtendlicht ons de reflectie ontnam. In strijdlust met een ochtendhumeur goot ik alle 1001 sprookjes over mijn lippen, begon  mij ostentatief uit te rekken en floot zacht “de morgen” van Edvrard Grieg. Buiten spreidde de ochtendstond haar rozerode vingers aan de kim. Mij door mijn stoppelbaard wrijvend kwam ik met lichte tegenzin overeind, wierp het verfrommelde koffiebekertje in een emmer en verliet het kantoortje.

Aldaar werd ik verwelkomt door een nog prille maandagochtend. Haar kille ochtendlucht tegen mijn longen jagend stond ik te trillen van sensatie. Het eerder vernoemde ochtendhumeur blies, in contact met de zon, luid krijsend de aftocht. Om zich in torment te gaan wentelen in het donkerste hoekje van mijn vergetelheid.
Boven mij beamde de zon een goudgeel licht tegen de omliggende gevels. Mij in de stad El Dorado wanend, draaide ik met armen gespreid om mijn as. Mijn lippen op elkaar persend om niet als een muzikale non in zang uit te barsten, aanschouwde ik in helse kleuren, dat wat vanmorgen nog in zwart wit was. “Reflectie, ik denk niet dat we nog in Kansas zijn” sprak ik tot mezelf in een plas.

Sloom slenterend volgde ik een goudgele weg tot aan een zwaar stalen deur, waarachter zich de werkvloer van een (hier niet verder vermeld) cosmetica bedrijf bevind.  

Vanuit de half-gewassen gezichten staarde de rijk met prut bedeelde ogen mij aan, toen ik mij een weg baande doorheen een meute maandagochtend zombies. Mijn luid The hills are alive” (with the sound of music) geneurie stond in schril contrast met de om mij heersende sfeer en lokte zelfs hier en daar een boos blik van een mij voorbij stormende werker. Luider nog werd mijn geneurie toen ik voorbij “het meisje in de doos” kwam, want zij straalde, zoals altijd.

Bij de koffiemachine vond ik een man die bijna bestiaal wild om zich heen loerde, als een  gek op de toetsen ramde en met zijn vrije hand op zijn been tokkelde. “Komaan” hoorde ik hem grommen doorheen zijn opeen geklemde tanden. “Wist je” begon ik een gesprek “dat er in 1 kopje koffie, wel zo’n 1001 sprookjes huizen?”. Hij sperde zijn ogen zo wijd open en begon zo heftig door zijn neus te ademen, dat ik bang was dat hij het uit zijn ogen druipende prut langs zijn neus naar binnen zou snuiven.

Hij beende weg, nog sneller dan een haas in het bos.
In zijn haast, welhaast over zijn haastig gestrikte veters struikelend, hoorde ik hem haastig vloeken.
Onthaast u!” riep ik hem na .

Tevergeefs, hij koos reeds het hazenpad.

Alzo vergleed des morgens in des middags.



De kraanman
februari 5, 2008, 5:43 pm
Ingedeeld onder: Beroepsavonturier, Met veel knipoog

De gekgeworde kraanman, trapte plankgas. Het ijzeren monster op rupsbanden, dat eerst zo doods leek, kwam nu krijsend tot leven. Verschrikt liet ik de bom vallen, die ik aan het ontmantelen was en zocht de ogen van de bestuurder. Weg, ze waren weg, verscholen achter de aangedampte glazen van zijn bril, zijn neusvleugels wijd opengesperd en zijn tanden ontbloot, kwam hij hoonlachend op mij afgestormd. Ostentatief zuchtend, veegde ik mijn handen af aan mijn, van fluorescerende strepen voorziene, maatpak, dronk een slok single malt uit een blikken veldflesje, knipoogde naar de dichtst bijzijnde vrouwelijke collega, wierp een blik op mijn horloge, stelde treurig vast dat ik de pauze zou gaan missen, en sloeg toen op de vlucht. De kraanman liet zijn klauw open en dichtklappen, als een stalen T-rex. Een onschuldig voorbijwandelende dielf het onderspit toen de klauw hem van het wegdek plukte en van zich afwierp, als was hij een stuk speelgoed. Toen de kraan langzaam terrein won, sprong ik op een voorbijrijdende heftruck, opende het portiek, kegelde de inzittende op het afvalt en wees met mijn stalen vorken richting vrijheid. Na te hebben geslalomd doorheen een parcour van toevallige hindernissen, waar de kraan vlot door en overheen reed, barstte hij uiteindelijk doorheen de muur, waarachter ik mij verscholen had, om dan luid krijsend, als wanneer staal buigt, om te kantelen en op zijn zij te vallen. De klauw ging nog eenmaal open en dicht en bleef toen dicht. Het monster was dood, het gevaar was geweken. De kraanman klauterde uit de cabine, bedolven onder het stof en beloofde om het vakantiehuisje dat hij pardoes bovenop een indiaanse begraafplaats had gebouwd, die zelfde avond nog met de grond gelijk te maken, nooit meer krankzinnig te worden en mij te trakteren op een martini “shaken not stirred” in de kantine. Luid juichend kwamen de collega’s, die zich hadden verstopt, uit hun schuilplaatsen, de mannen sloegen zich luid op de borst en zwoeren dat ze ooit zo kloek als mij zouden worden, de vrouwen wierpen kushandjes en en lonkten naar mij met tedere blikken.

Het was toen, meneer de grote baas, dat ik, in mijn overmoed, de heftruck nam, drie maal in het rond draaide en de rij met mannelijke collega’s afreed om vanuit het portiek “high fives” uit te delen. En het was kort daarop, meneer de grote baas, dat ik blind van vreugde, over de voet van Erwin reed, waardoor hij naar het ziekenhuis moest.

Tegenover mij had de man die ik “meneer de grote baas” noemde, zijn lip opgetrokken als een haas, en onder zijn oog was een zenuw vervaarlijk aan het trekken. Het was pas toen er schuim op zijn lippen kwam dat ik de ernst er van in zag. Daarna werd ook hij naar het ziekenhuis gevoerd. Volgens de dokter was hij zodanig innerlijk in razernij ontstoken, dat hij er een longontsteking door had opgelopen.

Later die dag toen ik mij afmelde en al strompelend, van de mij getrakteerde martini’s, naar mijn kastje ging, om mijn rugzak en autosleutels, vond ik daar op het deurtje een hele resem post-its met daarop de telefoonnummers van veelbelovende dames. Glimlachend gooide ik mijn autosleutels in de lucht en ving ze vaardig weer op. Wat was het schitterend om een beroepsavonturier te zijn!

(Dit schrijven werd opgedragen aan Geert, mijn baas, die in het ziekenhuis ligt
met een longontsteking en aan Erwin, de collega die een week inmobiel was omwille
van mijn heftruck kunsten. Beste Erwin, mogen u voeten nooit meer mijn wielen vinden!)



Het meisje met de piano
januari 31, 2008, 11:51 pm
Ingedeeld onder: Mijmeringen

 In de schemerende ruimte leek het wel alsof de witte toetsen licht straalde. Een enkel spotje richtte zijn lichtbundel op haar loshangende haren, die over haar schouders golfden tot aan haar handen. Haar handen… geen blik kon zich ervan wenden, luchtig als dagdromen gleden ze over het klavier. De door haar gedirigeerde hamertjes sloegen de snaren, op zulk een manier dat we van de hele stoel die ons werd aangeboden, enkel het puntje gebruikte.
Achteraan in de zaak deed een lichtend kaarsstompje vagelijk mijn aanwezigheid vermoeden. De door haar gespeelde tonen weerklonken op de muren waartegen mijn muurbankje leunde. Zonder mijn blik van haar te wenden, ontvlamde ik een cederhoutje en deed mijn cohiba gloeien. Blauwe slierten rook kringelden tot aan het plafond. De rook streelde zachtjes mijn tong en toen ik hem uitblies, wierp hij een waas over het tafereel, die de omliggende muren deed verdwijnen. Vanuit het halfdonker zat ik naar haar te kijken, mijn ogen waren droog, maar ik durfde ze niet sluiten, uit schrik dat het het plaatje zou beroeren. Zachtjes bracht ik de bruine cilinder naar mijn lippen. Naarmate ik hem tot as herleide, verdwenen ook de andere gasten, de tafeltjes, de drankjes, de stoelen…. Tot er alleen nog zij was. De roker herleid alles tot vuur en as, bedacht ik, de sigaar is het enige dat echt is, vuur en as, al het andere zijn slechts dromen. Toen bij mijn volgende trek het meisje met de piano verdween glimlachte ik en al glimlachend, verdween ik ook.
In het aardedonker was er enkel nog de stervende cohiba, met zijn gloeiende askegel, en de warme tonen van haar pianospel. De cohiba gloeide kort daarop voor het laatst, maar haar warme tonen bleven bij ons, tot het einde van de nacht.